U bent hier

Helden en stille krachten

Een eerbetoon aan alle 40.000 mensen die in de museumsector werken. 

In dit dossier zetten we helden en stille krachten in de schijnwerpers die op bijzondere wijze een bijdrage leveren aan de museumsector.  

Tekst Edo Dijksterhuis


Bewegen houdt je alert

Emke Overtoom
Van Gogh Museum

Bij het woord ‘museumbeveiliging’ denken de meeste mensen direct aan schilderijenroof of vandalisme. Maar de meeste beveiliging is gericht op reguliere bezoekers en moet ervoor zorgen dat zij niet de tentoongestelde objecten schaden. Of elkaar.
            In de zeventien jaar dat Emke Overtoom zaalbeveiliger is bij het Van Gogh Museum heeft ze één keer iemand de zaal uit gestuurd. ‘Die wilde zelfs na drie keer vragen niet stoppen met foto’s maken terwijl overal duidelijk staat aangegeven dat het verboden is. Selfiesticks zijn al helemaal uit den boze. Maar bezoekers worden steeds brutaler, vooral Chinese toeristen trekken zich nergens iets van aan. Ze willen even aan de lijst voelen of-ie wel echt is. Wonderlijk toch?’
            Overtooms werkdag begint met koffie en een ochtendbriefing. ‘Dan nemen we door welke schilderijen momenteel niet te zien zijn, het aantal bezoekers dat we gisteren hadden en of er die dag mogelijk vips langskomen. Ik heb al zoveel beroemdheden voorbij zien komen. Van Bill Clinton en prinses Beatrix tot Justin Bieber – wie is hier niet geweest? Maar ik word er niet warm of koud van, hoor. Ik begeleid ze gewoon als ieder ander.’
            Halverwege de dag schuift Overtoom door naar een andere zaal. Dat rouleren is goed om je scherp te houden en de ogen te verversen die constant de mensenmassa scannen. ‘Met de introductie van online tickets is de spreiding een stuk beter geworden maar het blijft druk. In de winter valt het doordeweeks nog mee maar in de weekenden ontvangen we al snel zesduizend mensen per dag. De Maandag is steeds meer een verlengstuk van het weekend geworden.’
            Overtoom heeft geen specifiek favoriete zaal in het museum maar ze staat graag bij de tijdelijke tentoonstellingen. ‘De Zonnebloemen ken ik ondertussen wel. Maar met wisselexposities treedt de gewenning ook snel op. Je kijkt er toch al snel vier maanden tegenaan.’
            Meer dan naar de kunst kijkt Overtoom naar het publiek. ‘Naar hoe ze zich gedragen. Hoe kijken ze naar de kunst? En kijken ze überhaupt naar de schilderijen of zijn ze meer bezig met andere bezoekers? In de drukte van het museum zijn soms zakkenrollers actief. Je moet dus goed letten op iemands houding en blik.’
            Het museum is open tot vijf uur ’s middags maar soms ook tot zes of zeven uur, waarbij de beveiligers altijd wat langer op zaal blijven om te zorgen dat iedereen naar buiten is. ‘Dat zijn lange dagen en blijven bewegen is dan een goede manier om alert te blijven,’ weet Overtoom. ‘Ik heb een stappenteller en ik loop gemiddeld zo’n elf kilometer per dag. Als je ouder wordt herstel je minder snel en daarom ben ik nu overgestapt op een driedaagse werkweek.’

vangoghmuseum.nl

beveiliger
Emke Overtoom wilde oorspronkelijk politieagente worden maar toen dat niet lukte volgde ze een opleiding tot beveiliger. Ze werkte twee jaar in de particuliere beveiliging voordat ze in 2002 de overstap maakte naar het Van Gogh Museum.


De nieuwe dreiging is van digitale aard

Daan Wijsman
Joods Cultureel Kwartier Amsterdam

Zaterdag 24 mei 2014. Op die dag werd alles anders. Een vermoedelijke antisemiet liep het Joods Museum in Brussel binnen en begon te schieten, met vier doden als gevolg. ‘In Amsterdam wisten we meteen: dit heeft verregaande gevolgen. Als culturele organisatie van Joodse signatuur was je vanaf toen een terroristisch doelwit. Binnen een week stonden er bemande politieposten bij al onze locaties: het Joods Historisch Museum, de Portugese Synagoge en de Hollandsche Schouwburg.’
            De maanden daarna ging Daan Wijsman met alle relevante organisaties om de tafel. ‘Onze eerste zorg was de veiligheid vergroten en de mogelijkheid van aanslagen verminderen.’ Wijsman heeft het daarbij bewust over risicobeperking in plaats van het uitsluiten van risico. ‘Het hele buitengebied beschermen kan niet en als iemand echt kwaad wil, doet hij dat toch. Het gaat er dan ook om dat iedereen zich bewust is van het potentiële gevaar. En je moet altijd denken aan de balans tussen veiligheid en gastvrijheid. We willen en kunnen niet iedereen fouilleren. Wel doen we tassencontroles, maar dan steekproefsgewijs zodat er niet op te anticiperen valt.’
            Beveiliging stopt niet bij de entree. ‘Het gaat om een pakket aan maatregelen, zichtbaar en onzichtbaar, die op elkaar ingrijpen. Ik vergelijk het wel eens met een stalen deur met zestien sloten. Die oogt heel erg solide maar als hij geplaatst is in een gipsen wandje heb je er niets aan. Wil je de integrale veiligheid naar een hoger niveau krijgen dan moet je ook kijken naar zaken als geldtransport, sleutelbeheer en het vervoer van kunstwerken. Al die dingen moet je continu aanscherpen en evalueren. De wereld om ons heen verandert in hoog tempo en wij moeten meebewegen.’
            De belangrijkste nieuwe dreiging, niet alleen voor het Joods Cultureel Kwartier maar voor alle musea, is van digitale aard. ‘DDoS-aanvallen, het gijzelen van documenten, virussen, het lamleggen van systemen,’ somt Wijsman op. ‘Als voorzitter van de Sectie Veiligheidszorg & Facility Management van de Museumvereniging probeer ik de sector hierover voor te lichten. Ook musea die geen aparte expert cybersecurity in dienst hebben, moeten zich kunnen beschermen. Het bewustzijn groeit inmiddels.’
            Wijsman zoekt vaker de samenwerking met externe collega’s. Op het gebied van operaties en facilitair management staat duurzaamheid boven aan de agenda. ‘Samen met een aantal andere Amsterdamse musea hebben we het BREEAM-certificaat behaald. Binnen de Plantagebuurt kopen we gezamenlijk groene stroom in waardoor we de doelstelling voor CO2-reductie hebben gehaald, maar wel een volumevoordeel konden bedingen. En in het kader van ons zero waste-project regelen we de collectieve afvoer, scheiding en verwerking van afval waardoor het aantal zware vervoersbewegingen omlaag is gegaan.’
            Komend jaar wordt de fondsenwerving voor het Nationaal Holocaust Museum afgerond. Wijsman: ‘Daarna kunnen we het beoogde pand strippen, net als de Hollandsche Schouwburg. Om het duurzaam te herbouwen. En veilig.’

jck.nl

operationeel manager
Daan Wijsman studeerde biologie maar leerde door bestuurswerk voor een studentenvereniging en een bijbaan in de bioscoop dat zijn hart meer bij het organisatorische lag. Hij werkte bij het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid en zette de Ajax Experience op voordat hij in 2012 operationeel manager werd bij het Joods Cultureel Kwartier.


Museumvisie is meer dan een clubblad

Chris Reinewald
Voormalig hoofdredacteur Museumvisie

In de vijftien jaar als hoofdredacteur van Museumvisie heeft Chris Reinewald de museumwereld zien veranderen. ‘Het was een lief volkje dat verregaand solidair was en een beetje in zichzelf gekeerd. Ik kwam van het designblad Items en daar was het begrip experience economy bijvoorbeeld allang ingeburgerd. In de museumsector heeft het nog jaren geduurd voordat het landde. Toen ik afzwaaide was solidariteit niet meer vanzelfsprekend – zie de manier waarop het Nationaal Historisch Museum ook door collega’s is afgeschoten. En marketing is belangrijker geworden dan educatie. Musea zijn in de rol gedwongen van ondernemers – wat ze natuurlijk niet zijn.’
            Ook Museumvisie maakte in die tijd een professionaliseringsslag door. ‘Ik heb onafhankelijke auteurs aangetrokken en de advertentieacquisitie op poten gezet. Er moest ritme komen in het blad, met rubrieken die vaker dan één keer leuk zijn om te lezen en af en toe een moment om uit te pakken met beeld. De rubrieken Visies en Smaakmakers bestonden al maar ik heb ze een beetje bijgebogen. Zo vond ik dat een smaakmaker niet per se een directeur hoeft te zijn en hadden we al heel vroeg een interview met Wayne Modest, toen Hoofd Tentoonstellingen bij het Tropenmuseum.’
            Onder Reinewald richtte Museumvisie het vizier ook regelmatig op het buitenland. ‘Toen in Oekraïne musea werden bestormd, legden we via Facebook contact met de heroïsche museummedewerkers die daar de fresco’s bewaakten. En we hebben een interview gedaan met de directeur van het museum van Kaboel, die uit veiligheidsoverwegingen moest onderduiken, op straat aardappelen verkocht en via via medewerkers instrueerde om beelden te laten verstoppen. Als je dat soort verhalen hoort, vraag je je soms af waar we ons in Nederland druk om maken.’
            Als onderdeel van de journalistieke opwaardering werd na verloop van tijd ook een redactiestatuut opgesteld. ‘Museumvisie moest meer zijn dan een clubblad. In het colofon stond ook: de meningen weergegeven in dit blad zijn niet per se die van de Museumvereniging. Maar zo’n vakblad blijft toch een soort marionettentheater. Mijn eigen mening als hoofdredacteur kon ik niet laten doorklinken. Ik was geïnvolveerd maar ook een buitenstaander. Ik wist wat er speelde en zocht er mensen uit de sector bij om daarover te praten.’
            Zijn kritische, journalistieke aanpak werd niet altijd gewaardeerd. Sommigen vonden Museumvisie niet het juiste podium om bijvoorbeeld de frictie tussen een stadsmuseum en een wethouder te behandelen. ‘Maar als wij het niet deden, deed niemand het,’ reageert Reinewald. ‘Later zijn de Volkskrant en NRC Handelsblad meer aandacht gaan besteden aan cultuurpolitiek. Daar hoef je als sector niet bang voor te zijn. Sterker nog, het is goed om zelf stelling te nemen.’
            Dat de papieren Museumvisie na dit nummer ophoudt te bestaan en rubrieken een plek zullen krijgen op het online platform, maakt volgens Reinewald weinig uit voor de intentie van verhalen. ‘Bij beide formats gelden journalistieke technieken: variatie in toon, vorm en gelaagdheid. De lezer wil als ontvanger snel weten wie de zender is om de waarde van het nieuws in te schatten. Een PR-persoon, propagandist of politiek lobbyist heeft een ander vak dan een objectieve, steeds doorvragende vakjournalist.’
            ‘Zelfs als er op een algemene ledenvergadering van de Museumvereniging conflicten oplaaien, moeten de afwezige leden dat in hun blad kunnen lezen – uiteraard met hoor en wederhoor. Het is die rol als platform tussen de Museumvereniging en zijn leden die Museumvisie maakte tot wat het was. Tegen verenigingsleden die mijn rol binnen de organisatie niet begrepen zei ik vaak: “Als journalist ben ik de luis in de pels. Maar ik ben wel jullie journalist.”’

chrisreinewald.nl

journalist
Chris Reinewald is allround cultuurjournalist. Tussen 2000 en 2015 was hij hoofdredacteur van Museumvisie. Tegenwoordig schrijft hij voor onder andere Museumtijdschrift en TextielPlus. Dit jaar verschijnen van hem de boeken Keith Haring, 1986 in Amsterdam en de historische familieroman Hard zijn.


Ik ben een strategisch puzzelaar

 Eelco van der Lingen
Mondriaan fonds

Met Eelco van der Lingen krijgt het Mondriaan Fonds dit jaar een voormalig kunstenaar aan het roer. In die hoedanigheid had hij in 1993 voor het eerst contact met de Mondriaan Stichting, de voorloper van het Mondriaan Fonds. ‘Met het Haagse kunstenaarsinitiatief Het Archief vroegen we toen subsidie aan, een bedrag van achtduizend gulden als ik het me goed herinner.’
            Het Archief is inmiddels ter ziele maar dat geldt niet voor Nest, de presentatie-instelling die hij daarna oprichtte. Min of meer toevallig, zoals hijzelf zegt. ‘Er stond een ruimte leeg in ons ateliergebouw en niemand wist er goed raad mee. Het was er kaal en leeg, redelijk onmogelijk, en er was geen budget. Ik heb toen wat geld bij elkaar gescharreld, maakte een tentoonstelling en dat werd een succes. Daarna mocht ik er nog eentje maken. Die tentoonstelling werd opgepikt door de Volkskrant en daarna kregen we meer structurele ondersteuning. Zo is Nest stap voor stap gegroeid.’
            Presentatie-instellingen werden in die tijd gezien als hermetisch met een redelijk publieksonvriendelijke uitstraling. Nest wilde dat beeld bijstellen. ‘We maakten in het begin vooral groepstentoonstellingen rond toegankelijke onderwerpen. Daarbij zorgden we voor een mix van jong talent en gevestigde namen. Het Haagse academiepubliek kwam om het werk van lokale helden te zien en een breder publiek kwam af op iemand als Simon Starling of Richard Long. We schreven zaalteksten die ook voor niet-ingewijden te begrijpen waren. Flyers van tentoonstellingen waren visueel prikkelend, titels waren licht poëtisch, met invloeden uit de popcultuur.’
            ‘Veel van de methodes die we bij Nest gebruikten zijn inmiddels gemeengoed geworden. In een tijd dat ArtTube nog niet bestond ontwikkelden we NestTV, een serie korte videoclips als alternatief voor de destijds gangbare theoretische tentoonstellingspublicaties. We lanceerden een webwinkel en organiseerden ook tentoonstellingen van een enkele avond, waarmee we teruggrepen op de ervaringen opgedaan bij Het Archief.’ Na tien jaar Nest stapte Van der Lingen over naar het Fries Museum. Om ‘me meer te richten op de inhoud’ en ‘Nest verder te laten evolueren onder een nieuwe directeur’. De Nest-mindset nam hij echter mee. ‘Toegankelijkheid is een belangrijk punt. Je moet programmeren op een goed en hoog niveau maar niet over de hoofden van mensen heen. Leeuwarden is geen Amsterdam, waar je continu focust op wat nieuw en urgent is. Het gaat iets trager maar dat langer kunnen stilstaan bij iets is ook de grote kracht van het werken in de periferie.’
            Hij dacht na bijna twee jaar nog niet aan vertrekken, maar vanuit het Mondriaan Fonds kwam de vraag om in gesprek te gaan. De inspirerende gesprekken die volgden deden hem uiteindelijk besluiten te gaan voor het directeurschap. ‘Ik ben geen directeur die meteen met een stapel eigen plannen binnenkomt. Ik ben een strategisch puzzelaar. Ik zoek de verbanden die juist een nieuw beeld en perspectief opleveren, soms met stukjes waarvan op het eerste gezicht lijkt dat ze niet op elkaar zullen aansluiten, soms met stukjes uit andere puzzels.’
            Inclusiviteit, op cultureel vlak maar ook wat betreft leeftijd en opleidingsniveau, heeft Van der Lingens bijzondere aandacht. ‘Ik mis in het kunstenveld nog een groot deel van de samenleving. De musea bereiken bijna allemaal hetzelfde publiek met vergelijkbare methodes. Er wordt binnen de sector over gepraat, maar er gebeurt misschien nog niet genoeg en het mag ook wel meer gezien worden als een mogelijkheid tot verrijking. Zonder dat de white cube meteen bij het vuilnis hoeft.’

mondriaanfonds.nl 

directeur
Beeldend kunstenaar Eelco van der Lingen richtte in 2007 Nest in Den Haag op. Als directeur trad hij ook op als gastcurator in TENT, Museum Kranenburgh en het Centraal Museum. In 2016 werd hij conservator hedendaagse kunst in het Fries Museum. Per 1 maart is hij aangetreden als directeur van het Mondriaan Fonds.


Lokale verankering is essentieel

Germa Greving
Museum Het Pakhuis

De banen voor vers afgestudeerde historici lagen niet voor het oprapen in 2013, midden in de crisis. Dus solliciteerde Germa Greving op een stageplaats bij Museum Het Pakhuis in Ermelo. ‘Ik wilde meer weten over hoe je historische feiten publieksvriendelijk presenteert. Ik kende Ermelo niet, maar dorp en museum hebben me snel overtuigd met hartelijkheid en de creatieve manier waarop verhalen van de streek worden verteld.’
            Na haar stage ‘bleef ze hangen’, kreeg de verantwoordelijkheden toegeschoven van een collectiemedewerker en verdiepte zich in publiciteit. Een aanstelling van twee dagen werd een contract voor drie dagen, om daarna de directeur, die met zwangerschapsverlof ging, te vervangen. Per september 2017 is ze volwaardig directeur. ‘We hebben een klein team, goed voor in totaal 2,2 fte,’ vertelt ze. ‘Veel medewerkers zijn parttimers dus iedereen combineert taken en moet van alle markten thuis zijn.’
            Bij de oprichting in 2010 lag de focus van Museum Het Pakhuis op natuur, milieu en erfgoed. De aanvankelijke nadruk op natuur schoof al snel naar de achtergrond ten faveure van geschiedenis en erfgoed, liefst geplaatst in het Veluws landschap. En dat kan heel breed zijn, volgens Greving. ‘Het gaat van het Romeinse marskamp, waarvan hier vlakbij resten zijn gevonden, tot de geschiedenis van een lokale koekjesfabriek. Onze recente tentoonstelling Krijg de Kriebels ging over insecten maar had weer een linkje met een familiebedrijf in het dorp dat krekels kweekt. Zo grijpen dingen altijd op elkaar in.’
            Greving heeft veel contact met collega-musea in de buurt. ‘De Veluwe-musea zijn relatief klein maar zowel qua fysieke als inhoudelijke spreiding is er geen overlap en daarom weinig concurrentie. We doen veel samen, zoals dit jaar het samenwerkingsverband Zij/Hij in Gelderland met gender als thema. Er worden exposities, voorstellingen en lezingen georganiseerd waarbij wij ons met onze expositie Vrouwen van Veldwijk richten op de vrouwen die vroeger met “gendergerelateerde aandoeningen” zoals histerie werden opgenomen in de psychiatrische inrichting Veldwijk.’
            In het kader van de tentoonstelling werkt het museum samen met lokale kunstenaars en middelbare scholieren om ook hedendaagse discussies over genderrollen en de MeToo-beweging aan te zwengelen. ‘Verankering in de lokale gemeenschap is waar het om draait bij een klein museum als het onze,’ vindt Greving. ‘Daarom zijn onze veertig vrijwilligers ook zo belangrijk. En het contact met de lokale middenstand – dat is echt een wisselwerking. Zo combineerden we tijdens een middeleeuws feest een culinair evenement met ons inhoudelijke erfgoedverhaal.’
            Om burgers te betrekken is Museum Het Pakhuis ook actief buiten de eigen muren. Met Het Pakhuis On Tour bijvoorbeeld, een minimuseum op wielen dat onder begeleiding van speciaal getrainde vrijwilligers naar verzorgingstehuizen gaat. ‘Het is een soort rariteitenkabinet dat we thematisch inrichten. Er kunnen laatjes open en panelen worden onthuld, en zo ontvouwt zich langzaam een verhaal. Het lijkt daarin op het museum zelf: achter de redelijk saaie gevel schuilt een verrassing.’
            Zoals de meeste kleine musea doet Museum Het Pakhuis veel met weinig. ‘Daarom komen directe bezuinigingen ook keihard aan: die snijden meteen in je vaste lasten, het personeel. Het budget voor exposities en evenementen is slechts €15.000 op jaarbasis. Het is fijn als gezien wordt wat we daar allemaal mee doen, dat we beloond worden voor ons cultureel ondernemerschap. Maar er lijkt een kentering gaande bij de lokale politiek. Structurele subsidies dreigen te worden vervangen door projectsubsidies waarbij iedere keer alles moet worden aangevraagd en achteraf verantwoord. Dat is een ongelooflijk zware last voor een kleine organisatie. Waarom niet terug naar het vertrouwensmodel? Als een organisatie succesvol is, leg dan de steun vast voor vijf jaar.’

hetpakhuisermelo.nl

directeur
Historicus Germa Greving startte in 2013 haar carrière in de museumwereld. In 2015 publiceerde ze een boek over Asser oorlogsmonumenten en startte ze als projectleider van het onderwijs-erfgoedproject De Eeuw van Mijn Ubbo. Sinds september 2017 is ze directeur van museum Het Pakhuis in Ermelo.


Het museum hoeft niet zo braaf te zijn

Teus Eenkhoorn
Nederlands Openluchtmuseum

U trad vorig jaar aan als directeur van het Nederlands Openluchtmuseum. Wat beschouwt u als uw grootste uitdaging? ‘Bij binnenkomst merkte ik dat het museum de laatste jaren erg gefocust is geweest op één grote klus: de Canon van Nederland. Daardoor is de aandacht voor het geheel en de aansluiting van de canon op de rest van het museum wat verslapt. Er moet weer eenheid en samenhang komen, maar dat is niet eenvoudig. De canon is een andersoortige, nevengeschikte tentoonstelling die vooral op het onderwijs is gericht. Eigenlijk hebben we hier niet één maar twee musea. Ze moeten dezelfde cultuur gaan ademen zodat ze elkaar kunnen versterken.’

Bij uw aanstelling zei u in te zetten op groei. Doelt u hiermee op bezoekersaantallen of inhoudelijke ontwikkeling? ‘Beide. Maar wat ons volwassen publiek betreft: daar hebben we weinig kijk op. Tijdens de winteropenstelling trekken we in vijf weken tijd honderdduizend bezoekers. Iedereen zegt: die komen voor de ijsbaan. Maar is dat zo? Komend jaar gaan we een publieksonderzoek doen om beter te weten wat onze bezoekers drijft. Daar kunnen we dan op inspelen.’

En inhoudelijk? ‘In ons masterplan staat de ambitie beschreven om de ontwikkeling van de naoorlogse verzorgingsstaat een plek te geven in het museum. Daarvoor willen we een portiekflat in het park zetten en eventueel een moskee. En natuurlijk doorzonwoningen. Dat waren de eerste prefab woningen en sommige zijn nu energieneutraal gemaakt. Door het zo te presenteren is het ook interessant voor de technisch geïnteresseerde bezoeker en voor bedrijven. We willen vanuit het heden naar het verleden kijken: een omdraaiing van het perspectief zoals het tot nu toe was.’

Moeten we in dat licht ook uw ingezonden brief in Het Parool zien, waarin u de gemeente Amsterdam vraagt de van het Museumplein verwijderde letters van het IAmsterdam-logo aan het museum te schenken? ‘Absoluut. Ik wil meer actualiteit in het museum. Het ging mij niet zozeer om die letters, maar ik wilde de medewerkers laten zien dat als je wilt, je morgen in de krant kunt staan. En dat dat discussie oplevert. Het Openluchtmuseum hoeft niet zo braaf te zijn. Het is niet alleen een leuk wandelpark. We hebben een mening die ertoe doet. Waarom zat onze conservator niet bij De Wereld Draait Door toen het over de treinkaping bij De Punt ging? Als er één plek is in Nederland om die geschiedenis in context te zetten dan is dat het Openluchtmuseum.’

Maar hoe krijgt u het voor elkaar om het museum zich meer te laten profileren? ‘We hebben echte pareltjes hier. Zo scheren we bijvoorbeeld onze eigen schapen, spinnen en verven we de wol, en worden daar truien van gebreid. Dat is het hele verhaal van de circulaire economie in een notendop. Hier werken veel doeners en het is zaak om die verhalen uit de hoofden van medewerkers beter over het voetlicht te krijgen.’

Hoe ziet het Openluchtmuseum er over vijftien jaar uit? ‘Voor negentig procent nog hetzelfde, want er komt af en toe een gebouw bij en dat is het. Maar de activiteiten die georganiseerd worden op basis van die collectie zullen meer aansluiten op de actualiteit. Met dat flexibele randje van tien procent blijft het museum relevant voor een grotere en meer diverse groep bezoekers.’

openluchtmuseum.nl

directeur
Na zijn studie rechten begon Teus Eenkhoorn zijn carrière als gemeentelijk ambtenaar om in 1998 over te stappen naar de educatieve omroep Teleac. Tussen 2001 en 2010 was hij zakelijk directeur van het Koninklijk Instituut voor de Tropen en daarna acht jaar directeur van de Reinwardt Academie. Hij is tevens lid van de Raad voor Cultuur.


We doen geen consessies aan kwaliteit

Johan Gielen
Kunsthal RotterdamKunsthal Rotterdam en Instituto Buena Bista (IBB) uit Curaçao kregen vorig jaar de allereerste &Award voor het programma All you can Art. Hoe belangrijk is zo’n onderscheiding? ‘Heel belangrijk. We doen All you can Art al drie jaar. Dan is het fijn als dat niet ongezien blijft.’k. Daarom stond er altijd iemand bij de deur om het uit te leggen en ze voor te stellen aan de kunstenaars.’

Hoe kwam All you can Art tot stand? ‘De Kunsthal werkt projectmatig. We doen meer dan twintig tentoonstellingen per jaar en alles is eenmalig. Maar van All you can Art wisten we: dit moeten we minstens drie jaar doen om het te laten groeien. Het tienjarig bestaan van Instituto Buena Bista op Curaçao was de aanleiding. We wilden het hele instituut, inclusief de methoden en de mensen, integraal naar de Kunsthal halen. Dat werd een summerschool voor jongeren in de vorm van een open atelier met een meester-gezelstructuur en een tentoonstelling die als groeisculptuur in ontwikkeling blijft. Ook DenkTanks waarin iedereen met elkaar in discussie kan gaan over actuele onderwerpen zoals zorg en onderwijs maken deel uit van All you can Art.’

Dat is nogal anders dan een reguliere tentoonstelling. ‘Parallel aan de eerste editie hadden we de tentoonstelling Botero, Celebrate Life! Bezoekers die een museale ervaring verwachtten, kwamen nietsvermoedend de zaal binnen en schrokken in het begin wel een beetje van de hectie

Hoe heeft het programma zich ontwikkeld over de jaren? ‘All you can Art gedijt heel goed in een buurt. Na het eerste jaar hebben we dan ook drie locaties buiten de Kunsthal gezocht, ateliers op locatie bij drie maatschappelijke partners. Op die plekken maakten kunstenaars samen met bewoners, scholieren en cliënten nieuw werk. We wilden de stad meer betrekken en vooral mensen bereiken die minder mobiel zijn, zowel letterlijk als sociaal. All you can Art moest meer zijn dan een museaal uitje en echt engagement tonen.’

Welke invloed heeft dit project gehad op uw eigen werkwijze? ‘Ik begon het eerste jaar met een Excelsheet om alles logistiek te managen. Maar na twee weken vertelden de kunstenaars me al dat dat niet werkte. Ik heb geleerd vertrouwen te hebben, de juiste randvoorwaarden te scheppen en dan mensen de ruimte te geven. Op het moment dat ik het losliet, zag ik de kracht van deze werkwijze.’

Hebben de inzichten en ervaringen van All you can Art nog geleid tot andere projecten? ‘In 2018 hebben we Kijk ze kijken opgezet. Hierin koppelen we ouderen aan tieners uit het speciaal onderwijs. We zetten ze voor een kunstwerk met een boekje waarin beginzinnen staan voor een conversatie. Bij zo’n ontmoeting gebeurt altijd iets. De ouderen liepen glimlachend de deur uit, blij met de aanspraak. En de jongeren leerden verbaliseren. Net als de Art Mediator, een gids die op zaal gesprekken aangaat met bezoekers, past dit in onze visie van het museum als ontmoetingsplek voor iedereen.’

Bestaat met dit soort projecten niet het gevaar dat de kunst verwordt tot therapeutisch gereedschap? ‘Wij willen de relevante maatschappelijke waarde van het museum zo hoog mogelijk maken, maar de kwaliteit en onaantastbaarheid van de kunst blijven overeind. Daar doen we geen concessies aan. Wij zijn een culturele instelling en onze programma’s moeten niet langs de meetlat van een zorginstelling worden gelegd.’

kunsthal.nl

hoofd educatie en publiek
Johan Gielen is van oorsprong beeldend kunstenaar en filmmaker. Vanaf 2008 houdt hij zich in diverse functies bezig met cultuuronderwijs. Sinds 2015 werkt hij bij Kunsthal Rotterdam en is hij verantwoordelijk voor Educatie en Publiek.


Medewerkers kunnen elkaar inspireren

Sandra Holtjer
Bonnefantenmuseum

‘Ik ga over de mensen, de stenen en het geld. En wel in die volgorde.’ Sandra Holtjer heeft haar prioriteiten op een rij vanaf het moment dat ze gelijktijdig met artistiek directeur Stijn Huijts aantrad als zakelijk directeur van het Bonnefantenmuseum. Terwijl hij zich ontfermde over de inhoudelijke koers – de verborgen canon, educatie, talentontwikkeling en een thuishaven zijn voor kunstenaars en publiek – dook zij in de organisatie van het museum, dat tot die tijd zelfs geen personeelsafdeling had. ‘Je hebt als museum de verplichting te zorgen voor je werknemers,’ vindt zij. ‘Dat betekent dat je helder en duidelijk moet zijn maar zonder te veel regels. Mensen zijn belangrijk en je moet enkele belangrijke dingen goed voor ze regelen. Om de zoveel jaar je functies herijken bijvoorbeeld.’
            De hokkerige kantoren aan een lange gang, die volgens Holtjer een Oostbloksfeer hebben, gaan dit jaar eindelijk op de schop. ‘Een eerste werkgroep met medewerkers kwam met een visie die “het andere werken” werd gedoopt, een variant op het bekende “nieuwe werken”. ‘Dat “nieuwe” impliceert dat het niet goed is zoals je het vroeger deed en dat vind ik onterecht. We willen alleen dat medewerkers elkaar makkelijker vinden en inspireren – dat past bij het bedrijf. We functioneren nu als een projectorganisatie waarin alle disciplines samenwerken.’
            In haar eerste jaar als zakelijk directeur introduceerde Holtjer een personeelshandboek en regelmatig terugkerende evaluatiegesprekken gericht op persoonlijke ontwikkeling en niet als de traditionele, terugkijkende beoordeling. Op verzoek van de medewerkers werd in 2017 Double Date ingevoerd. ‘Dan kun je een dagdeel meelopen met iemand op een andere plek in de organisatie. Ik heb het zelf net gedaan met de inrichters. Toen realiseerde ik me pas wat voor rust en wiskundig inzicht er eigenlijk nodig zijn voor dat precisiewerk. Niemand is verplicht mee te lopen maar je kunt geen meeloper weigeren. Het doel is elkaar beter te begrijpen en daarmee ook de organisatie te snappen. Iedere functie is even belangrijk maar iedere medewerker is verantwoordelijk voor andere beslissingen.’
            Middels de digitale nieuwsbrief BonVivant blikt het personeel terug op de afgelopen week en wordt er vooruitgekeken naar de volgende. Drie keer per jaar wordt er, een uur voor openingstijd, een Bonnefantencafé georganiseerd met koffie en een bepaald thema. ‘Maar het kan ook gewoon even bij elkaar zitten zijn. Toen een collega niet zo lang geleden plotseling overleed was het heel goed voor de rouwverwerking.’
            De afgelopen jaren is de organisatie aanzienlijk verjongd. ‘Medewerkers van verschillende leeftijden kunnen van elkaar leren. Daarom hebben we nu meer stagiaires. En onze Young Office-afdeling, die onder educatie valt, bestaat uit 15- tot 25-jarigen die vaak nog op school zitten of studeren. Zij bemannen onder andere ons Bonnefanten-pop-upmuseum op Pinkpop.’
            Ook wat betreft de hardware heeft het Bonnefantenmuseum een update gekregen. De entree met daarin de balie, winkel en kunstuitleen is drastisch omgegooid. De akoestiek van het café is aangepakt. Er is LED-verlichting en wifi in het hele gebouw geïnstalleerd. En het auditorium is opnieuw ingericht. ‘Niet onbelangrijk was de oprichting van ons Bonnefantenmuseum Fonds tijdens Tefaf 2017. Daarmee willen we een erfenis opbouwen waarmee we in de toekomst uitzonderlijke dingen mogelijk kunnen maken. Het fonds bevat nu een ton maar we hopen door verder te sparen en te beleggen – wat we overigens niet zelf doen – door te groeien naar een miljoen.’
            Het museum is nu in wat rustiger vaarwater beland. ‘Het is tijd voor finetunen en consolideren,’ stelt Holtjer. ‘Maar we moeten altijd open blijven staan voor nieuwe dingen. Tunnelvisie werkt niet.’

bonnefanten.nl

zakelijk directeur
Sandra Holtjer is accountant van origine. Ze werkte ruim twintig jaar bij Deloitte voordat ze overstapte naar welzijnsorganisatie stichting Wel.kom. In 2012 trad zij aan als zakelijk directeur van het Bonnefantenmuseum.


Weet wat je wil vertellen

Taco Dibbits
Rijksmuseum 

Kom bij Taco Dibbits niet aan met de stelling dat musea je leven verrijken. ‘Musea zijn een basisbehoefte,’ zegt hij stellig. ‘Zelfs mensen die zeggen niets met kunst te hebben, hebben thuis wel een poster met een reproductie hangen. Het maken zit in ons, het maakt ons mensen. En daarom is het ook zo belangrijk dat musea midden in de maatschappij staan en deelnemen aan het publieke debat.’
            Bij het Rijksmuseum gebeurt dat volgens Dibbits op twee manieren. ‘Allereerst door Nederlandse kunst in een internationale context te zetten. De tentoonstelling High Society was daar een voorbeeld van. Die maakte duidelijk dat kunst grenzeloos is en niet eng regionaal geduid kan worden. En ten tweede door belangrijke thema’s te behandelen. In 2020 doen we dat met een grote slavernijtentoonstelling. De net afgeronde tentoonstelling 80 Jaar Oorlog ging over de geboorte van Nederland, die voortkwam uit niet alleen een oorlog met Spanje maar ook een burgeroorlog. Er werd gestreden voor vrijheid van meningsuiting en godsdienstvrijheid. Dat zijn nu weer belangrijke onderwerpen.’
            Dibbits is blij dat het politieke debat over kunst en cultuur, dat jarenlang werd getekend door termen als ‘linkse hobby’ en ‘elitair’, de afgelopen twee kabinetsperioden positiever is geworden. ‘De erfgoedwet is een van de grote verwervingen van de laatste tijd,’ vindt hij. Maar hij verzet zich tegen de inzet van kunst en cultuur als piketpaaltjes voor een nationale identiteit, zoals vooral rechtse politici nu propageren. ‘Het is de taak van een museum, en zeker het Rijksmuseum, om houvast te geven, te tonen waar we vandaan komen. Maar een nationaal museum is door alle dwarsverbanden altijd internationaal. En de geschiedenis is niet eenvoudig. De vraag “Wie zijn wij?” kan je niet met één enkel verhaal vertellen of beantwoorden zonder de zwarte bladzijden te belichten. Het publiek is niet dom, maar je moet dingen helder uitleggen en weten wat je wilt vertellen.’
            Anders dan voormalig minister Jet Bussemaker vindt Dibbits niet dat de Collectie Nederland ‘af’ is. ‘Een collectie is nooit af en een museum moet je niet op slot gooien.’ Daarom blijft het Rijksmuseum aankopen. Onder Dibbits werden onder andere Atlas van Adriaen de Vries en het dubbelportret van Maarten en Oopjen aangekocht. ‘We kopen voor de eeuwigheid: alleen absolute topstukken. De steun van de BankGiroLoterij maakt het mogelijk mee te dingen in de internationale kunsthandel, want zelf hebben we maar een beperkt aankoopbudget.’
            De uitbreiding blijft niet beperkt tot oude kunst hoewel er grenzen zijn aan de expansiedrift volgens Dibbits. ‘Als we een nieuw gebied opnemen in de collectie moet het gaan over zowel kunst als geschiedenis. Aan het verzamelen van 20e-eeuwse kunst, dat al begonnen is onder Ronald de Leeuw, is een lang onderzoek voorafgegaan. Nu buigen we ons over de vraag hoe we moeten omgaan met digitale kunst en film. Toch is het Rijksmuseum anders dan een hedendaags museum. De collectie is minstens één generatie oud en dat maakt ons een reflexief museum.’
            In 2019 wordt vooral teruggekeken op Rembrandt, die 350 jaar geleden overleed. ‘Slechts twee keer in de vijftig jaar heb je een Rembrandtjaar, rondom zijn geboorte- en sterfjaar, dus dat is bijzonder. Wij gaan voor de allereerste keer alle werken van Rembrandt uit onze eigen collectie, de schilderijen en de etsen, tegelijk tonen. Zijn belangrijkste werk, De Nachtwacht, wordt gerestaureerd maar dat doen we op zaal. Iedere verplaatsing is een risico en we hebben het hier wel over werelderfgoed. Als je het van zaal af haalt, zet je bovendien grote druk op de restauratoren om het werk zo snel mogelijk af te maken. Zo’n werk kun je nu eenmaal niet aan het publiek onttrekken.’

rijksmuseum.nl

hoofddirecteur
Taco Dibbits begon zijn loopbaan als medewerker van het Rijksmuseum. Na een aantal jaar bij veilinghuis Christie’s in Londen werd hij in 2002 aangesteld als conservator 17e-eeuwse schilderkunst bij het Rijksmuseum. Zes jaar later promoveerde hij tot directeur Collecties en in 2016 volgde hij Wim Pijbes op als hoofddirecteur.


Je kunt niet lukraak vragen

Boudewijn Koopmans
Mauritshuis

Hoofd Development. Boudewijn Koopmans houdt wel van de functieomschrijving op zijn visitekaartje. ‘Het is natuurlijk een uit de Angelsaksische wereld overgewaaide term, maar voorheen heette ik “hoofd fondsenwerving” en als mensen dat hoorden renden ze gillend weg. Bovendien is het een te smalle term. Meer dan over geld inzamelen gaat mijn werk over het ontwikkelen van relaties. Ik heb een ambassadeursfunctie.’
            Development is ook niet een functie die je solo uitvoert, vindt Koopmans, het vergt een inspanning van het complete museumteam. ‘Ik moet het intern blijven uitleggen, maar het wordt de laatste jaren steeds serieuzer genomen. Men begrijpt nu waarom je soms een borrel moet organiseren of iets extra’s doet voor een speciale gast. Development is alleen succesvol als het verankerd is in de hele organisatie. Vandaar dat ik bijna dagelijks binnenloop bij de directie, de educatieafdeling, de conservatoren. Zodat ik ook weet wat er bij hen speelt.’
            Aan de kant van de gevers is een soortgelijke ontwikkeling te zien. ‘Ze zijn veel meer betrokken dan tien jaar geleden. Ze zitten erbovenop, willen weten wat de impact is van hun bijdrage. Dat is soms best lastig en vereist dat je goed nadenkt over de juiste match. Je moet precies onderbouwen waarom een gift nodig is en waarom die juist van die persoon moet komen. Je kunt niet lukraak vragen. De tijd van de Quote 500 doorbladeren en iedereen een mail sturen is echt voorbij. Je moet veel gerichter te werk gaan.’
            Ter illustratie van zijn visie op relatiemanagement citeert Koopmans voormalig Rijksmuseum-directeur Wim Pijbes: ‘Maak vrienden voordat je ze nodig hebt.’ Maar een volgende stap is weten wie die vrienden zijn en wanneer je ze kunt aanspreken met welke vraag. ‘De budgetrondes van bedrijven bereiken rond oktober hun kookpunt dus voor die tijd moet je met een concreet voorstel komen. Anders is het geld al verdeeld. Particulieren zijn juist weer goed te benaderen aan het einde van het jaar. Dan denken ze na over belastingen en aftrekbare giften.’
            In diezelfde periode worden mensen ook benaderd door goede doelen met hun ‘december appeal’, een steunoproep tijdens de feestdagen. ‘Ik denk dat we dat in de museumwereld meer zullen gaan zien. Het heeft een tijdje geduurd om de perceptie te veranderen, maar musea worden nu ook beschouwd als goede doelen.’
            Voor het Mauritshuis ziet Koopmans in de toekomst mogelijkheden op het gebied van crowdfunding. ‘Maar daar moet het juiste project bij passen, zoals het Dordrechts Museum dat heeft gedaan bij de verwerving van Jan van Goyens Gezicht op Dordrecht.’ Social media is ook een potentiële groeimarkt. ‘Als je het aantal volgers opbouwt tot het niveau van het Rijksmuseum en je vraagt een klein bedrag, dan is een conversieratio van 0,01% al heel erg effectief.’
            Sponsordeals gingen door een dal tijdens de crisis maar zijn inmiddels weer terug. ‘Maar waar sponsorgeld vroeger vooral naar zichtbare zaken ging, is dat nu minder het geval. De endowed curator, een bekend fenomeen in de Verenigde Staten en vergelijkbaar met een gesponsorde leerstoel, zal ook in Nederland een opmars doormaken. En dat is prima, het museum bouwt op een andere manier een relatie op met de gever. Je moet alleen opletten dat je inhoudelijk onafhankelijk blijft.’
            Het Mauritshuis heeft zich de afgelopen twee jaar extra toegelegd op het verwerven van legaten. Daarin trekt Koopmans ook op met collega’s van andere musea, via de nalatenschapscampagne Toegift. ‘Natuurlijk vissen we allemaal in dezelfde vijver maar gezamenlijk kunnen we die vijver wel groter maken.’

mauritshuis.nl

hoofd development
Boudewijn Koopmans begon zijn loopbaan als fondsenwerver bij het Diabetes Fonds en werkt nu elf jaar in de museumsector. In 2008 begon hij bij het Cobra Museum in Amstelveen en sinds 2012 is hij Hoofd Development van het Mauritshuis.


We hebben geleerd onze autoriteit te delen

Richard Kofi
Nationaal Museum van Wereldculturen

Het Tropenmuseum is zich de afgelopen jaren aan het heruitvinden en probeert een alternatief te vinden voor het eurocentrisch perspectief. Hoe is dat in zijn werk gegaan? ‘Het begon in 2016 met een conferentie van Decolonize The Museum, een actiegroep die onze collectie kwam doorlichten. Er werden gele borden in de vaste opstelling geplaatst die aangaven wat er allemaal mis was. Het gebruik van het woord “slaaf” bijvoorbeeld of de manier waarop groepen mensen en zelfs landschappen werden geëxotiseerd. Dat was echt een wake-upcall. Dekoloniseren is het corrigeren van beeldvorming en een eenzijdige witte, hetero blik op kunst en erfgoed. Het kan heel leuk zijn om onderdeel te zijn van zo’n verbetering, maar het herstellen van een disbalans kun je eigenlijk niet “vieren”.’

Hoe heeft u die inzichten verwerkt in uw eigen werk? ‘Het jaar na de conferentie Gedeelde Geschiedenis, waarin we met academici, activisten, museummedewerkers en kunstenaars het slavernijverleden bespraken, zijn we begonnen met de voorbereidingen van de tentoonstelling Heden van het slavernijverleden. Van begin af aan hebben we ons kwetsbaar opgesteld in de omgang met dit beladen erfgoed. De teksten en objectenselectie zijn in meerdere redactierondes telkens weer aangepast, het was een constant leerproces. Daarbij leerden we vooral veel van niet-museale experts met verschillende achtergronden. We hebben als museum geleerd onze autoriteit te delen.’

Behalve tentoonstellingsmaker bent u ook beeldend kunstenaar. Helpt dat bij het vinden van nieuwe manieren van vertellen en tentoonstellen? ‘Met mijn tekeningen, schilderijen en verhalen probeer ik vergeten verhalen nieuw leven in te blazen, vooral wat het Afrikaans erfgoed betreft. Als je de hele dag formeel bezig bent, is het fijn om dezelfde informatie en bevindingen met fantasie te benaderen. In mijn project The Spirit of Collection kijk ik anders naar de objecten in ons depot, probeer ik in de huid van hun makers te kruipen.’

Welke middelen zet u in bij het maken van tentoonstellingen? ‘Ik toon erfgoed, archieven en beeldende kunst als gelijkwaardig en op hetzelfde niveau. In de tentoonstelling Carnaval Wereldwijd in het Afrika Museum heb ik bijvoorbeeld werk van Raquel van Haver en Yasser Ballemans gecombineerd met carnavalswagens op schoenendoosformaat van Niels Vernooij. Ik gebruik graag poëzie en spoken word. En ik haal veel inspiratie uit hiphop: de manier van storytelling, de wisselende perspectieven en de gelaagdheid van presenteren.’

Hoe staat het met de dekolonisering van de museumsector als geheel? ‘We zijn op een punt aangekomen dat één niet-wit, niet-hetero of niet-cisgender perspectief niet genoeg is. Er zijn meerdere alternatieve perspectieven. De dekolonisatie van onze instituten is niet iets wat je gezellig met leuke partners kunt programmeren en waarmee je met fijne promotieacties even nieuw publiek binnenhaalt. Het is een veel intensiever proces waarvan het nog maar de vraag is of het ooit werkelijk af is. Het vereist een andere manier van denken, waarin je probeert te breken met een problematisch verleden en dat heeft voelbare consequenties voor de traditie van het museum.’

museumovermensen.nl

curator
Richard Kofi is beeldend kunstenaar en onafhankelijk curator. In 2012 begon hij bij de afdeling educatie van het Afrika Museum en hij is sinds 2014 tentoonstellingsmaker bij het Nationaal Museum van Wereldculturen. Momenteel werkt hij aan een nieuwe vaste opstelling voor het Afrika Museum en de herinrichting van de eerste verdieping van het Tropenmuseum.


De ambitie moet meegroeien

Pien Harms
Paleis het Loo

Toen Pien Harms in augustus 2012 aantrad als zakelijk adjunct-directeur van Paleis Het Loo had de instelling een stoffig imago en bovendien net een bezuiniging van elf procent voor de kiezen gekregen. Maar de NOS hielp bij een vliegende start. ‘Die benaderde ons voor een programma over de tentoonstelling Beelden voor Beatrix, waarvoor het Nederlandse volk werd gevraagd portretten te maken ter ere van de 75e verjaardag van de toenmalige koningin. Drie dagen voor de opening kondigde Beatrix aan te zullen aftreden. Dat veranderde de tentoonstelling in één klap in een blockbuster. Het hielp ook dat we heel veel goede inzendingen hadden, ruim tweeduizend. Aansluitend op de tentoonstelling hebben we zes weken lang – tot de troonswisseling – een presentatie gehad met de regalia en andere koninklijke attributen waaronder de jurk van Máxima.’
            Die combinatie van publieksgerichte exposities bezorgde Paleis Het Loo in 2013 ruim 420.000 bezoekers. ‘Maar dat succes liet ons ook onze beperkingen voelen. We wilden meer, maar het gebouw en de faciliteiten lieten dat niet echt toe.’
            De aanleiding voor een grootschalige verbouwing kwam in de vorm van asbestsanering. Alle overheidsgebouwen moeten voor 2021 asbestschoon zijn en Paleis Het Loo bevat 400m² van de schadelijke stof. ‘Het Rijksvastgoedbedrijf schatte dat we drie jaar nodig zouden hebben om dat te saneren. En als we dan toch dichtgaan, waarom dan niet meteen de zaken grootser aanpakken? Er is een budget van 123 miljoen uitgetrokken om gelijk met de asbestsanering een uitbreiding te realiseren. Omdat die niets mag veranderen aan het aanzicht van het paleis ontwierp KAAN Architecten een ondergrondse entree met bijna 5000m² tentoonstellingsruimte.’De verbouwing wordt aangegrepen om meteen ook ander achterstallig onderhoud te plegen. ‘Het museum is nu 35 jaar open en we willen het ook qua bezoekersfaciliteiten klaarmaken voor de komende decennia.’
            In 2017 is al begonnen met het verhuizen van de collectie. ‘Die staat nu opgeslagen in een tijdelijk depot van het Rijksmuseum in Lelystad en gaat daarna naar het nieuwe CollectieCentrum Nederland in Amersfoort, waar wij als vierde partner bij zijn aangesloten. In onze oude depots die deels boven de stallen zaten, houden wij nu kantoor. Op die manier houden we constant zicht op de bouwwerkzaamheden.’
            Die zullen naar schatting duren tot midden 2021. Maar dat betekent niet dat het paleis in de tussentijd gesloten is. ‘We zijn wat we noemen “BuitenGewoon Open”. Niet twaalf maar zeven maanden per jaar kunnen bezoekers hier terecht. Aan de buitenkant van het paleis hebben we een trap en lift geplaatst zodat bezoekers langs de gevel naar het dak kunnen waar ze uitzicht hebben op de tuin en de bouwplaats. We grijpen deze periode ook aan om te experimenteren. Zo hebben we de traditionele zeventiende-eeuwse beplanting in deze jaren vervangen door hedendaagse plant- en bloemsoorten. En vanaf april tonen we vier sculpturen van Daniel Libeskind.’
            Een deel van de collectie is tussentijds te zien in de Keukenhof, het Rijksmuseum, Rijksmuseum Twente, Kasteel Cannenburch, De Raad van State (Paleis Kneuterdijk), Museum Villa Mondriaan, Bilderberg Hotel De Keizerskroon en Museum Bronbeek. En de Delfts blauwe vazen staan bij pier 2 van Schiphol, waar de internationale vluchten aankomen. ‘Voor de verbouwing trokken we 350.000 bezoekers per jaar, straks mikken we op minstens een half miljoen. En het aandeel toeristen moet daarin hoger zijn dan de huidige tien procent. Als je groter wordt, moet je ambitie meegroeien, vind ik.’

paleishetloo.nl

zakelijk adjunct-directeur
Pien Harms is opgeleid als cultureel antropoloog en was onder andere hoofd marketing van het Diaghilev Festival voordat ze adjunct-directeur werd van het Zuiderzeemuseum en daarna projectdirecteur bedrijfsvoering en interne organisatie van het Nationaal Historisch Museum. Ze is nu zakelijk adjunct-directeur van Paleis Het Loo.


Dossiers 
Museumvisie

Reacties