U bent hier

Ingezonden brief: De blockbuster, uitwas of middel?

Paul Mosterd en Marlies Kleiterp

Nu de coronacrisis diepe wonden slaat, lijkt het alsof een in het oog springende verworvenheid in de museale wereld heeft afgedaan. De te dure, te risicovolle blockbuster zou zijn tijd hebben gehad. Ze vertroebelen het zicht op de collectie, zo stellen Micky Piller en Kristoffel Lieten in Trouw van 4 mei 2020 (‘De eigen collectie, dat is de parel’). Dat is echter te snel gedacht.

Tijd voor een pleidooi voor een beproefd fenomeen. Tijd om te laten zien dat de blockbuster een plek in het ecosysteem van de kunsten heeft en het idee te ontzenuwen dat dat niet samengaat met tonen van eigen collecties. In ons museale systeem heeft de blockbuster zijn functie. Net zoals de kunstacademie, de kunstenaar, de galerie, de collectioneur, de mecenas, het museum met zijn collectie of de criticus. De blockbuster een doel.

Wat is een blockbuster in de eerste plaats? Het is een term uit de filmwereld, voor kassuccessen. Zoals bestseller in het boekenvak. Soms zijn ze gepland, soms onverwacht. Je kunt je eraan vertillen maar je kunt er ook een neus voor hebben. Ze zijn er in alle soorten en maten. Groot en klein. Vaak met veel bruiklenen, maar lang niet altijd. Alle Rembrandts (Rijksmuseum, 2019) toonde enkel eigen collectie bijvoorbeeld. Vaak zijn het reizende tentoonstellingen, soms zijn ze plaatsgebonden. Soms is er ook maar één kunstwerk.

De Mona Lisa, op reis door de VS, trok een nooit meer geëvenaard Een geesteskind van Jackie en André Malraux. belangen. Vaak zijn ze risicovol. En helaas soms obligaat. Maar ze zijn vaak ook onvoorspelbaar, intelligent en nuttig. Daarom dit pleidooi.


 

De allereerste blockbuster was misschien de Rembrandt-tentoonstelling in het Stedelijk Museum van Amsterdam in 1898. Deze luidde een herontdekking door kunstenaars van Rembrandt in.

Dat brengt ons een belangrijk aspect dat in een eerder opiniestuk over dit onderwerp (Meta Knol, ‘Blockbusterverslaving’ in NRC Handelsblad van 22 februari 2020) goed is aangestipt maar door de auteurs in Trouw wordt genegeerd. Wat wil je ermee bereiken? En voor wie dan? Kunstenaars? Een groot publiek? Jongeren? Divers publiek? Iedereen? begrip daarvan maakt een gebalanceerd oordeel over het fenomeen mogelijk. Er zijn overigens musea die blockbusters gewoon financieel nodig hebben. Zeker sinds de bezuinigingen van tien jaar geleden.

Maar er is nog een type blockbuster, en daarvoor willen wij hier specifiek pleiten: de emanciperende blockbuster. Ze zijnDie is hard nodig. De Grote Suriname-tentoonstelling (De Nieuwe Kerk, 2019-2020) is een goed voorbeeld. Verzekeringskosten? Nog geen € 5.000,=. Eigen collectie? Niet van De Nieuwe Kerk, maar wel van onze partner, het Tropenmuseum (naast vele bruiklenen). Door collecties vanuit nieuwe, verrassende invalshoeken te tonen en samen te wekenwerken met andere relevante (en diverse) maatschappelijke organisaties, wordt de tentoonstelling breder en laagdrempeliger. Dat was onze hoge lat. Was deze tentoonstelling, die een van de best bezochte van De Nieuwe Kerk bleek, bedacht als blockbuster? Jazeker. We wilden een groot publiek bereiken. We hadden een verhaal te vertellen. Wisten we dat het zou lukken? Nee. Velen in de museale wereld hadden hun twijfels. WeWij hadden echter vertrouwen en goede hoop, en er is vooral ook ontzettend hard aan gewerkt. Door velen. Het verhaal van Meta Knol, dat tussen de regels door pleit voor meer armslag voor het weerbarstige maar mooie en, broodnodige vak van intelligente blockbusters maken, is ons uit het hart gegrepen. Micky Piller en Kristoffel Lieten lijken dat punt te missen: maatschappelijke relevantie van een tentoonstelling. Misschien is die wel even belangrijk als wie welke collectie, of parel, bezit.

Paul Mosterd en Marlies Kleiterp van De Nieuwe Kerk, adjunct-directeur en hoofd Tentoonstellingen.

Reacties