U bent hier

Partners - Wetenschappelijke instituten en commerciële bedrijven kunnen musea veel te bieden hebben

Samen sterk

Musea zoeken naar partnerschappen met wetenschappelijke instituten en commerciële bedrijven


Tekst: Edo Dijksterhuis

We leven in toenemende mate in een genetwerkte samenleving. Dat geldt ook voor musea. ‘Partnerschappen zijn essentieel,’ stelt Hendrikje Crebolder, directeur development en media van het Rijksmuseum Amsterdam. ‘Zo kunnen we meer mensen bereiken, kennis uitwisselen, zichtbaarder zijn en draagvlak creëren.’

Hendrikje Crebolder
©Mike Bink

Het Rijksmuseum onderhoudt tientallen samenwerkingsverbanden. De meest voor de hand liggende zijn die met andere musea. ‘De tentoonstellingsreeks Lage Landen draait om collectiemobiliteit,’ zegt Crebolder. ‘Veertig werken uit onze collectie zijn te zien in vijf stadsmusea. En in Tien topstukken on tour werkten we samen met het Mauritshuis, het Kröller-Müller Museum en het Van Gogh Museum om onze belangrijkste recente aanwinsten dankzij de BankGiro Loterij te tonen op zes verschillende locaties.’

In het NICAS werkt het Rijksmuseum samen met de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de universiteiten van Amsterdam en Delft om wetenschappelijk onderzoek te doen naar conservering en kunsthistorische vraagstukken. Ook wordt er veel onderzoek gedaan in samenwerking met buitenlandse partners als het Getty Museum en het Metropolitan. ‘De aanpak wordt steeds meer multidisciplinair,’ constateert Crebolder. ‘Zo combineren we de aankomende tentoonstelling over de tachtigjarige oorlog met een website, boek en televisieserie die we ontwikkelen samen met de NTR.’

In het NICAS werkt het Rijksmuseum samen met wetenschappelijke instellingen om onderzoek te doen naar conservering en kunsthistorische vraagstukken.

Voor het bereiken van bepaalde doelgroepen werkt het Rijksmuseum vaak samen met sponsors. ‘Het Mooiste Contact Fonds van KPN financiert bijvoorbeeld de Zilverlijnbus waarmee eenzame ouderen naar het museum worden gebracht. Met zakelijke partners gaan we altijd op zoek naar wat ons verbindt. We streven naar meerwaarde voor ons beide, en voor het publiek.’

Onderschrift

Het Rijksmuseum promoot haar collectie via de wijnen van KLM, ontwikkelt sinterklaasproducten met Albert Heijn en voert een creatieve campagne met Royal Talens. Crebolder merkt op dat zakelijke partnerschappen de laatste jaren zijn uitgegroeid van bilaterale aangelegenheden tot netwerkverbintenissen. En dat ze moeten evolueren om duurzaam te zijn. Als voorbeeld geeft ze het contact met Philips. ‘Voor het nieuwe museum hebben we samen nieuwe ledlampen ontwikkeld. Maar Philips heeft zijn focus verlegd naar gezondheidstechnologie. Nu hebben we voor MRI-machines beelden ontwikkeld om patiënten op hun gemak te stellen. Het Rotterdams Philharmonisch Orkest verzorgt de muziek erbij en kunstwerken uit het Rijksmuseum geven visuele ontspanning.’

Het museum als spin in het maatschappelijk web is een ideaal dat Arnoud Odding in diverse publicaties uiteenzette en de afgelopen zes jaar in praktijk bracht in Rijksmuseum Twenthe. De recent gelanceerde Museumfabriek, een doorstart van het twee jaar geleden in de problemen geraakte Twentse Welle, is een verwezenlijking van zijn motto ‘samenhang der dingen’. Hier komen kunst, technologie en ondernemerschap samen.
 

‘De kerntaak van musea is het verbinden van partijen’

En diverse partijen. ‘Door samenwerking met kunstruimte Tetem en het opstellen van een educatieprogramma dat aansluit bij leerdoelen, verdubbelde het aantal bezoekende scholieren tot 50.000,’ vertelt Odding. ‘Er zijn tweehonderd vrijwilligers betrokken bij de Museumfabriek en het Rijksmuseum Twenthe. Die organiseren bijvoorbeeld lezingen of sterrenkijkavonden. Dat doen ze allemaal zelfstandig. Wij faciliteren alleen. Ook in ons kenniscentrum en laboratorium kan iedereen komen studeren en onderzoeken.’
 

Het exoskelet StickMan van de Australische performancekunstenaar Stelarc was te zien in kunstruimte Tetem.
Foto: © Steven Aaron Hughes

Volgend jaar organiseert het museum de conferentie Dutch Open Tech. Odding: ‘Die is bedoeld voor creatievelingen, maar bijvoorbeeld ook CEO’s van lokale bedrijven. Centraal staat: wat zijn jullie ondernemersuitdagingen van de komende twintig, dertig jaar? We werken hierin samen met onder andere hogeschool Saxion, het lokale ROC en een gemeenschap van creatieve start-ups.’

Het Rijksmuseum Twenthe groeit op deze manier steeds meer uit tot een hybride museum. ‘De vraag wordt dan wel eens gesteld of we nog voldoen aan onze kerntaken,’ zegt Odding. ‘Maar als iets onze kerntaak is, dan is het verbinden van partijen. Door mensen aan te trekken en samen te investeren, geven netwerken bovendien ruimte om je anders en beter bezig te houden met beheer en behoud van de collectie. Het is een vliegwieleffect.’

Samenwerkingsverbanden die van onderaf worden opgebouwd – ‘uit generositeit en welbegrepen eigenbelang,’ zoals Odding zegt – hebben een bepaalde kracht. Maar stevige politieke steun kan alles nog een paar treetjes hoger brengen, weet Edwin Jacobs. De voormalig directeur van Museum Jan Cunen, De Lakenhal en Centraal Museum is sinds twee jaar directeur van Dortmunder U, een verzamelgebouw dat onder andere een museum, kunsthal, bioscoop, universiteitsgebouwen en kunstacademie omvat.

‘Toen het Ruhrgebied in 2010 culturele hoofdstad van Europa was, zijn de partnerschappen contractueel vastgelegd,’ zegt Cunen. ‘De stad en haar partners hebben zich verplicht zorg te dragen voor de financiering van mensen, infrastructuur en programmering, voor een periode van twintig jaar.’ Vergelijkbaar is het samenwerkingsverband tussen zeventien lokale musea op het gebied van toerisme. ‘Samen leggen we jaarlijks € 1 miljoen in en de overheid verdubbelt dat. De verdeelsleutel is zodanig dat de grote spelers krijgen wat ze past en de kleintjes iets extra’s, zodat ze meer kunnen doen dan normaal. Zo kunnen alle partijen evenveel profiteren van de samenwerking. Er is ook een gezamenlijk coördinatiebureau dat afspraken regelt en de pr verzorgt. Iedereen heeft zich geëngageerd tot 2022. Onlangs werd bovendien bekend gemaakt dat de regering jaarlijks €230 miljoen extra gaat uitgeven aan kunst en cultuur. Dat wordt gedragen door alle partijen. Die politieke steun maakt samenwerkingen nog robuuster.’

De lange, gegarandeerde horizon van samenwerkingsprojecten heeft volgens Jacobs ook effect op de manier waarop hij zijn eigen organisatie ziet. ‘Over de profilering en positionering van de Dortmunder U denk ik steeds meer in termen van partnerschappen. De colleges van de leerstoel die wij ondersteunen, gaan wij nu publiek aanbieden. We zijn een plek waar altijd wat te doen is en die voor iedereen toegankelijk is. Daarom hebben we de openingstijden veranderd. Doordeweeks kun je hier nu tot acht uur ‘s avonds terecht, op zaterdag tot elf uur ‘s avonds. In Nederland is identiteit nog steeds sterk verbonden aan één instelling; hier is het grotere geheel leidend.’
rijksmuseum.nl
demuseumfabriek.nl
dortmunder-u.de


‘Meer dan alleen droge informatie’

Mark Neerincx
Hoogleraar Human-Centered Computing
TNO en Technische Universiteit Delft

Mark Neerincx twijfelt er niet aan: in de nabije toekomst lopen er robots rond in musea. Ook over de winst die dat oplevert is hij stellig. ‘Robots kunnen de toegankelijkheid van musea enorm vergroten door informatie op een meer gepersonaliseerde manier te ontsluiten. Bezoekers krijgen het aanbod op maat en op een aantrekkelijke manier aangeboden. Bovendien kun je met robots veel kennis verzamelen over die bezoekers, of zelfs potentiële bezoekers. Over hun voorkeuren of hoe ze zich gedragen. Daarmee kun je het aanbod en de wijze van aanbieden aanpassen en optimaliseren.’

Mark Neerincx

De samenwerking tussen mens en machine, dat is het onderzoeksgebied van Neerincx. Hij is hoogleraar aan de TU Delft en wetenschapper bij TNO. ‘De ontwikkeling van sociale robots,’ vat hij het zelf kort samen. Het is een expertise waar Europa wereldwijd in vooroploopt en waar Nederland een stevige bijdrage aan levert. Rondom het Robotics Institute in Delft is de laatste jaren een heuse RoboValley ontstaan.

Vroeger waren defensie en de ruimtevaart de belangrijkste aanjagers van dit soort hoogtechnologische innovaties. Ook Neerincx werkte in het verleden met het European Space Agency, maar ziet nieuwe kruisbestuivingen ontstaan. ‘De verhoudingen zijn veranderd,’ zegt hij. ‘Bedrijven als Google en Amazon houden zich nu ook bezig met robotica. Een deel van de onderzoeksinstellingen en bedrijven richt zich op open innovatie: binnen afgesproken kaders mag iedereen de gegenereerde kennis gebruiken.’

Generieke technologieën kunnen worden vertaald naar andere domeinen. Dat gebeurt momenteel bijvoorbeeld op de gebieden van educatie en gezondheidszorg. Neerincx bezoekt ook diabeteskampen waar hij samenwerkt met kinderen met suikerziekte, hun ouders en met medici om samen geschikte robots te ontwikkelen. Deze robot helpt het kind als maatje en tutor om goed om te gaan met diabetes, totdat het kind deze hulp niet meer nodig heeft. Maar hij kan zich goed voorstellen dat er ook toepassingen worden bedacht voor musea.

‘Robots zouden bijvoorbeeld rondleidingen kunnen houden. Of bij de uitgang staan om voorbijgangers te vragen naar hun ervaring van het museumbezoek. Dat levert een levendiger vraag-antwoordspel op dan een enquête of invulformulier. Zo’n robot leert via dialoog- en emotiemodellen namelijk inschatten met wie hij spreekt en wat de toon is van het gesprek. Woordgebruik, gebaren en zinsconstructies kan hij allemaal analyseren en interpreteren. Dat levert niet alleen droge informatie op maar echt inzicht in de beleving.’

Behalve fysiek in het museum zou de robot ook aanwezig kunnen zijn op de museumwebsite, in de vorm van een avatar. ‘Je kunt dan al voor je bezoek kennismaken met het museum. En na afloop kun je je ervaringen delen en vergelijken met andere museumbezoeken. Zo is de robot de persoonlijke schakel voor, tijdens, na en tussen de bezoeken. Er ontstaat een langdurige en intensieve relatie.’

De toekomst is kansrijk, maar robotica heeft nog wel te maken met vooroordelen en misvattingen, geeft Neerincx toe. ‘Die zijn ingegeven door de media en sciencefictionfilms. Het zijn vaak doembeelden. Maar de grootste valkuil zijn te hoge of verkeerde verwachtingen. Dan wordt er een robot aangeschaft maar kan hij bijna niks. Anderzijds kun je ook te lage verwachtingen hebben. Er is een bepaalde creativiteit voor nodig om robots echte meerwaarde te laten leveren. We zijn met iets heel nieuws bezig en dan moet je buiten de bestaande kaders denken. Om tot zinvolle en haalbare toepassingen te komen, is het daarom van het grootste belang dat technici samenwerken met experts uit het veld. En dat gesprek kan altijd beter.’
tno.nl


Groepsdenken

Om mensen met een beperking te bereiken, kunnen musea verschillende maatregelen nemen. Ook robots kunnen daarbij een rol spelen.


Tekst: Edo Dijksterhuis

‘Inclusiviteit begint met samenwerking’

Marleen Hartjes
Projectleider Studio i – platvorm voor inclusieve cultuur
Van Abbemuseum Eindhoven en Stedelijk Museum Amsterdam

‘Thema’s als diversiteit en inclusiviteit zijn zo groot dat ze het individuele museum overstijgen.’ Marleen Hartjes zegt dit naar aanleiding van Onvergetelijk Van Abbe, waarbij zij in 2013 optrad als projectleider. Het programma voor mensen met Alzheimer en hun mantelzorgers was een samenwerking met het Stedelijk Museum Amsterdam, waar het functioneerde onder de titel Onvergetelijk Stedelijk. ‘Het zijn heel verschillende musea,’ stelt Hartjes. ‘Het Van Abbe is meer experimenteel terwijl het Stedelijk in maat en impact groter is. Maar samen konden we er meer van maken dan alleen. Aansluitend hebben we het ook nog uitgerold naar tien andere musea.’

Marleen Hartjes

In Eindhoven ging Hartjes daarna verder met het programma Special Guest, dat manieren onderzoekt om speciale doelgroepen te bereiken. ‘Het grote verschil met Onvergetelijk is dat we vanaf het begin intensief hebben gewerkt met de doelgroepen zelf. Dan trap je open deuren in die tegelijkertijd enorme eyeopeners zijn. Programma’s voor blinden worden bijvoorbeeld ontwikkeld door museummedewerkers die kunnen zien. Een aanname is dan: blinden zijn gebaat bij braille op zaal. Maar als je met blinden zelf praat, dan blijkt braille niet de heilige graal te zijn. De meeste blinden hebben pas op latere leeftijd hun zicht verloren en kunnen het niet lezen. Vanaf de eerste maand hebben we meteen van alles moeten herzien.’

Het maakt overigens wel uit met wie je samenwerkt, vindt Hartjes. ‘Oude, gevestigde belangenorganisaties wijzen vooral op de dingen die mis zijn. Nieuwe organisaties zoals Ongehinderd, Sta Op of Wat Telt zijn jonger en denken vanuit oplossingen.’

Hartjes vond haar partners door een combinatie van googelen, rondvragen en gebruik van kanalen die specifiek zijn voor de doelgroep, zoals radiozenders en nieuwsbrieven. ‘Wij zijn bij toeval gestuit op een kunstgeschiedeniscursus voor blinden en slechtzienden. Zij waren perfect: ervaren kunstliefhebbers die kritisch doorvragen. We hebben hen allerlei tools en programma’s van overal ter wereld laten testen. We hebben zelfs een blind stel op pad gestuurd om Europese musea te onderzoeken.’

In het Special Guest-programma kwamen ook doven en slechthorende aan bod. Er werd een programma gemaakt rondom de taalstoornis afasie, en een prikkelarm museumbezoek ontwikkeld voor autisten en mensen met adhd. Die ervaringen worden nu gedeeld via Studio i, dat eind 2017 is gelanceerd. Het is een online platform dat gelijkelijk wordt ondersteund door het Van Abbemuseum en het Stedelijk Museum Amsterdam. Beide musea leveren een projectleider, waar Hartjes er een van is. Een project-assistent en een PhD-onderzoeker vervolmaken het team.

©Marcel de Buck

‘We hebben al een kenniscafé georganiseerd,’ zegt Hartjes. ‘We zijn bezig met een publicatie en werken aan het multi-zintuiglijke museum, een museumzaal die niet alleen is ontworpen voor de ogen, maar ook rekening houdt met geluid, temperatuur en andere eigenschappen. Voor dat laatste project werken we samen met architecten, de KU Leuven en mensen met een beperking.’

Het werk van Studio i bestaat voor een belangrijk deel uit het geven van trainingen en advies op maat. ‘Dat doen we met partners uit het veld. Voor Museum in Gebaren werken we bijvoorbeeld samen met de stichtingen Wat Telt en Hoor Mij, maar ook met gehoorapparatenfabrikant Phonak. Gaandeweg wordt alles overgedragen aan die partners. Trainingen geven is immers geen corebusiness voor een museum. En als het goed is, hebben we ons op gegeven moment overbodig gemaakt.’
studio-inclusie.nl


Vele handen

Partnerschappen zijn mogelijk met bijvoorbeeld een bedrijf, een wetenschappelijke instelling, het publiek of een conservatorium.


Tekst: Edo Dijksterhuis

Museummuziek
Voorlinden Klassiek

Elke eerste maandag van de maand klinkt er muziek in de zalen van Museum Voorlinden. Na een kop koffie wordt er een concert gegeven door studenten van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. In steeds wisselende samenstelling spelen zij een uur lang klassieke composities met een hedendaagse toegift. Na afloop kunnen luisteraars het museum bezoeken.

Het museum in Wassenaar biedt vaker ruimte aan musici. Zo deed het dit jaar ook dienst als locatie van het International Chamber Music Festival. Toen werd L’Histoire du Soldat van Igor Stravinsky ten gehore gebracht.

Niet alleen conservatoria werken samen met musea. November Music, het in ’s-Hertogenbosch gesitueerde festival voor hedendaags gecomponeerde muziek, organiseert al jaren concerten in musea. Kleine ensembles spelen een programma van ongeveer een half uur met materiaal dat eerder tijdens het festival werd gebracht. Vaste partner is Museum De Pont in Tilburg. Vorig jaar verzorgde November Music ten gelegenheid van een geluidskunsttentoonstelling een concert in DordtYard in Dordrecht.
voorlinden.nl

Het ensemble De Formule treedt op in Museum Voorlinden. Op de foto: Laura Lunansky (viool), Coraline Groen (viool), Michiel Wittink (altviool) en Rogier Tamminga (cello).
© Benno Lambooy

Wetenschap
Onderzoek fiscale geschiedenis

De banden tussen het Belasting & Douane Museum in Rotterdam en de Universiteit Leiden gaan terug tot 1966. Toen werd de Rijksbelastingacademie ondergebracht bij de vakgroep Fiscaal Recht van de faculteit Rechtsgeleerdheid. Daarmee werd de opleiding losgekoppeld van de museale collectie die directeur en hoogleraar Van der Poel vanaf 1935 had verzameld, ter ondersteuning van het aanschouwelijk onderwijs aan zijn studenten. Zijn museum bleef in Rotterdam.

De relatie tussen beide kreeg vorm in een bijzondere leerstoel Geschiedenis van het Belastingrecht, die achtereenvolgens werd bekleed door Ferdinand Grapperhaus en Onno Ydema. In 2015 werd Rex Arendsen benoemd tot bijzonder hoogleraar voor de leerstoel Maatschappelijke en Historische Context van het Belastingrecht. Zijn onderzoek gaat onder meer over het belastingsysteem in voormalig Nederlands-Indië in de eerste helft van de twintigste eeuw. De vennootschapsbelasting en loonbelasting werden daar als eerste binnen het koninkrijk ingevoerd. Arendsen werkt samen met twee promovendi.

Rex Arendsen
© Irene Dral

Er zijn meer samenwerkingsverbanden tussen musea en de academische wereld, maar daarbij is de beweging meestal andersom. Zo is Wim Hupperetz, directeur van het Allard Pierson Museum, bijzonder hoogleraar Nederlandse cultuurgeschiedenis aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Andreas Blühm, directeur van het Groninger Museum, doceert kunstgeschiedenis. En ecoloog Koos Biesmeijer, wetenschappelijk directeur van Naturalis, is als hoogleraar Natuurlijk Kapitaal verbonden aan de Universiteit Leiden.
bdmuseum.nl

Uit het depot
Publiek helpt met ontzameling

De historische collectie van Stedelijk Museum Schiedam bevat ongeveer tienduizend voorwerpen. Daar zitten dagelijkse gebruiksvoorwerpen tussen zoals pannen, potten en kruiken, maar ook gereedschap uit de jeneverindustrie, pistolen van de schutterij en zelfs een stadsgalg. Veel is aangenomen in bulk en ongezien opgeslagen. Maar nu wordt een groot deel uit het depot in het museum gezet om de collectie beter te leren kennen en te bepalen wat er wel en niet in thuishoort en waar de gaten zitten. Daarvoor heeft het museum expert Dieuwertje Wijsmuller ingeschakeld. En de inwoners van Schiedam. Hun werd namelijk gevraagd hun verhalen over de voorwerpen te delen en mee te denken over de te maken keuzes. Op die manier wordt de cultuurhistorische geschiedenis van Schiedam aangescherpt en het belang van de collectie nader gedefinieerd. Voorwerpen waarvan blijkt dat ze niet bij het museum horen, worden vervolgens afgestoten volgens de richtlijnen van de LAMO.

Biscuit, 1944.

Musea en erfgoedinstellingen gaan vaker de samenwerking aan met het publiek. Zo werd het digitaliseren van historische stukken in het Noord-Hollands archief voor een deel overgenomen door vrijwilligers die zich aanmeldden via platform VeleHanden. En om haar online collectie te verrijken met externe bronnen, maakt Rijksmuseum Twenthe gebruik van Linked Open Data (een digitale publicatiemethode van gestructureerde, vrij beschikbare gegevens).
stedelijkmuseumschiedam.nl

Bedrijfscollectie
KPN in nieuw depot Boijmans Van Beuningen

In 2016 verhuisde het hoofdkantoor van KPN van Den Haag naar Rotterdam. Twee jaar later maakt het telecombedrijf bekend zijn bedrijfscollectie onder te brengen in het in 2020 te openen collectiegebouw van Museum Boijmans Van Beuningen. Ook gaat KPN de ICT-infrastructuur verzorgen in het publiek toegankelijke kunstdepot. De KPN-collectie gaat terug tot de jaren vijftig van de vorige eeuw, toen zij nog viel onder de Dienst voor Esthetische Vormgeving van de PTT. Na de privatisering van het bedrijf is de verzameling teruggebracht tot een kerncollectie van 3500 werken van Nederlandse en internationale kunstenaars. De collectie van KPN, dat eerder al hoofdsponsor was van de Boijmanstentoonstelling Gek van surrealisme, vult zo’n tien procent van de verhuurbare ruimte in het collectiegebouw.

Behalve partner van Museum Boijmans Van Beuningen is KPN ook hoofdsponsor van Rijksmuseum Amsterdam. Het bedrijf levert onder meer de iPads voor rondleiders, doet de hosting van de museumwebsite en treedt op als sponsor van tentoonstellingen als De late Rembrandt. Ook gaf KPN in december 2014 een groot wandreliëf van Jan Schoonhoven in langdurige bruikleen. Het werk was een halve eeuw geleden gemaakt voor het postkantoor van Delft.
boijmans.nl

Uit de ivoren toren

Partnerschappen bieden kansen, maar het onderhoud ervan vraagt veel aandacht.


Tekst: Edo Dijksterhuis

Sinds 2016 organiseert het Mauritshuis samen met NN Group iedere tweede donderdagavond van de maand het evenement Maurishuis&. Bekende gasten vullen deze avonden in vanuit hun eigen invalshoek en laten bezoekers kennismaken met het museum door middel van bijvoorbeeld mode, literatuur of filosofie. Minister-president Mark Rutte liet zijn favoriete schilderijen zien.
© Billie-Jo Krul

Het Rijksmuseum Amsterdam heeft een medewerker die zich exclusief bezighoudt met samenwerkingsverbanden. Dat is een uitzondering, maar steeds meer musea hebben een persoon of afdeling die het merendeel van de tijd is gericht op externe contacten. Zoals Boudewijn Koopmans, sinds 2012 werkzaam als hoofd development van het Mauritshuis. ‘Vroeger was het organiseren van evenementen iets wat erbij werd gedaan,’ zegt hij. ‘Maar zoals we ook een persoon hebben die zich uitsluitend bezig houdt met sociale media, is er nu ook een medewerker die contacten onderhoudt met reisorganisaties en internationale beurzen bezoekt. Het takenpakket is enorm toegenomen, zeker nadat musea door de bezuinigingen meer aandacht gingen besteden aan hun relaties.’

Om het werk inzichtelijk en behapbaar te houden, ontwierp Koopmans in 2015 met zijn afdeling een fondsenwervingspiramide. Aan de basis staat de businessclub, in het midden programmasponsors en bovenaan de grote partnerships. Vooral die toprelaties, die het Mauritshuis onderhoudt met Shell, NN Group en de BankGiro Loterij, vergen veel aandacht. ‘NN Group deed hier vorig jaar ruim twintig evenementen,’ zegt Koopmans. ‘Voor hen is het museum als een tweede thuis. Dit soort relaties zijn langduriger en intensiever dan incidentele sponsors. Je laat de partner dichter toe op je werk. Je moet opener en gastvrijer zijn.’

Bij gastvrijheid hoort ook het uitbaten van een brasserie en de inzet van beveiligers die niet nors zijn, maar behulpzaam. ‘In het huidige museum is hospitality de schil direct om de kerntaken en die moet je heel serieus nemen,’ stelt Koopmans, die vervolgens marketingtermen gebruikt als mystery shopper en customer journey. ‘Deze instrumenten zetten we in om gastvrijheid te meten en vervolgens te optimaliseren.’

De personeelsinzet blijft niet beperkt tot Koopmans’ afdeling en de ondersteunende taken. ‘Ook de druk op de inhoudelijke staf is toegenomen,’ stelt hij. ‘Partners willen soms een introductie door een conservator of de directeur een handje geven. Je moet wat dat betreft goed in de gaten houden in hoeverre je nog in staat bent om de gewenste wederdienst te leveren. Zes partners zouden wij niet met goed fatsoen kunnen bedienen.’

Voor kleinere musea die al moeite hebben de interne lopende zaken bij te benen, kan samenwerken met en via platforms een oplossing zijn. Erfgoed Brabant is een goed voorbeeld van een verbindende en faciliterende organisatie. Zo is ze de aanjager van het twintig leden tellende netwerk Streekmusea Brabant. Ook de vijftien cultuurhistorische musea in de Baronie van Breda zijn mede op haar initiatief de samenwerking aangegaan. En in het platform brabantserfgoed.nl verbindt de organisatie verhalen en collecties van 65 regionale instellingen met de landelijke digitale infrastructuur.

‘Ik ben een soort oliemannetje,’ erkent projectleider Annette Gaalman. ‘Ik ren de hele tijd heen en weer tussen netwerken. Die verbindende rol is belangrijk, maar als ik er keihard aan moet trekken om een paar man naar een bijeenkomst te krijgen, houdt het op. Wij zijn dienend, maar de musea moeten het uiteindelijk zelf doen. Het gaat om het versterken van de bron en niet van de tussenlaag die wij zijn.’

Eigenaarschap is in samenwerkingsverbanden sowieso een punt van aandacht, benadrukt Gaalman. ‘De schaal van partnerships loopt van informatie-uitwisseling tot complete fusie. Naarmate samenwerking intenser wordt, spelen strategische belangen een grotere rol. Dan kun je te maken krijgen met terugtrekkende bewegingen omdat het gevoel ontstaat dat de eigen identiteit in het geding is.’

Communicatie speelt een belangrijke rol bij het soepel laten verlopen van samenwerkingsprojecten. Aniek Bax van het Universiteitsmuseum Utrecht merkte het tijdens de ontwikkeling van het project Citizen Science, dat ze vorig jaar opzette met het Westerdijk Fungal Biodiversity Institute. ‘Het publiek kon bij ons buisjes ophalen waarmee grondmonsters in de achtertuin genomen konden worden. De onderzoekers analyseerden die en als ze nieuwe schimmelsoorten vonden, kregen die de naam van degene die het monster had aangebracht. Een mooi project. De respons was zo groot dat het instituut voor jaren werk heeft. Dan merk je dat je daar op moet anticiperen en dat het verloop van zo’n samenwerkingsproject anders kan gaan dan je van te voren verwacht. Dit vraagt om veel onderlinge afstemming. In dit project ging het goed omdat we dezelfde doelstellingen hadden, maar als je elkaar nog niet zo goed kent, kan dat het arbeidsintensief maken.’

Maar samenwerkingsverbanden kunnen de werklast ook juist verlichten. Platform VeleHanden koppelt bijvoorbeeld vrijwilligers aan archieven die gedigitaliseerd moeten worden. Het kan ook formeler. Zoals het DBFMO-contract (design, build, finance, maintain, operate) dat de Stichting Defensiemusea voor het Nationaal Militair Museum sloot met aannemersbedrijf Heijmans. ‘Voor vijfentwintig jaar neemt Heijmans de zorg op zich voor alles wat niet museaal is, van de wc’s en kassa’s tot het restaurant en de beveiliging,’ legt Paul van Vlijmen, algemeen directeur van Stichting Defensiemusea, uit. ‘Deze constructie is uniek in de wereld. Wij hadden een externe financier nodig om het nieuwe museum te realiseren. Zonder Heijmans was het er niet gekomen. Bijkomend voordeel is dat het museum aankan met de helft personeel.’

De constructie functioneert nu drie en een half jaar en de ervaringen zijn gemengd. ‘We moesten wennen aan elkaar,’ geeft Van Vlijmen toe. ‘In het beste geval zijn we met elkaar getrouwd en in het slechtste tot elkaar veroordeeld. De museumbranche is een rare en Heijmans moet als nieuwkomer veel leren. Het doet ons soms pijn om te zien dat de museumwinkel of het restaurant het goed doen, maar dat wij daar niets aan overhouden. Dat is nog wel iets waar ik het over wil hebben. Wij kunnen nu alleen verdienen op bezoekersaantallen, maar een kleine premie bij wijze van incentive zou fijn zijn.’

Tijdens zijn optreden in het kader van Maurishuis& benaderde Couturier Jan Taminiau de collectie vanuit het oogpunt van de mode.
© Ivo Hoekstra

Reacties